Vijf vragen aan een literair vertaler

Door Rik Schraag

Gonzalo Fernández, Spaans literair vertaler

Hoe ben je als literair vertaler begonnen?

Een carrière als literair vertaler valt eigenlijk niet echt te plannen. Het is geen werk waarvoor je een opleiding kunt gaan volgen en dan gewoon gaan solliciteren. Zo kom je er niet in. Althans, dat is mijn ervaring. Als je niemand in de uitgeverswereld kent, moet je als eerst contact proberen te leggen met zoveel mogelijk mensen in die kringen. Netwerken dus. Maar zelfs dat is geen garantie voor een eerste kans. Uiteindelijk berust alles grotendeels op toeval.

Ik ontdekte al snel dat uitgevers benaderen met mooie voorstellen geen zin had. Ik veranderde dan maar mijn strategie en ik begon over Nederlandse en Vlaamse boeken te bloggen met de hoop gevonden te worden. En zo is het gegaan.

Een jaar of wat na mijn eerste blog heeft een Spaanse uitgever contact met mij opgenomen via mijn blog met de vraag of ik een aantal leesrapporten kon leveren. Dat werk betaalt heel slecht, maar ik heb het uiteraard maar al te graag aangenomen. Een leesrapport is, om het zo maar te zeggen, een samenvatting van een boek en je mening daarover. Uitgevers willen weten of een bepaald boek geschikt is voor publicatie, en omdat ze niet alle talen van de wereld kunnen lezen, hebben ze daar vertalers voor nodig. Na een aantal leesrapporten te hebben geleverd naar volle tevredenheid van de uitgever, kreeg ik mijn eerste kans als literair vertaler. En mijn verhaal schijnt geen uitzondering te zijn. Veel literaire vertalers zijn ooit net als ik met leesrapporten begonnen.

Heb je contact met de schrijver?

Het is zeker niet ongebruikelijk om als literair vertaler contact te hebben met de schrijver. Ik heb bijvoorbeeld heel leuk contact gehad met Joke van Leeuwen over haar woordgrapjes. Op een keer heb ik haar geconfronteerd met een zin van haar die eigenlijk onvertaalbaar was en waarvoor ik iets nieuws moest verzinnen. Toen riep ze: ‘O jee, wat doe ik vertalers aan!’. Heel grappig. Want schrijvers houden natuurlijk geen rekening met de vertaalbaarheid van hun verhalen bij het creatief proces.

Ook met Rindert Kromhout had ik zeer leerzaam contact over zijn alom geprezenSoldaten huilen niet. Maar dat, net als met Joke van Leeuwen, was alleen via de mail. Andere auteurs heb ik echt ontmoet, zoals Edward van de Vendel. Dit was wel heel bijzonder, want toen ontmoette ik ook de jongen waar zijn boek De gelukvinder over gaat. Het was een vreemde gewaarwording om iemand in levenden lijve te zien die voor jou tot dan toe eigenlijk alleen maar op papier bestond. Dat boek is een op feiten gebaseerd verhaal, maar wel met een hoog fictiegehalte, dus in zekere zin voelde het als een romanheld ontmoeten. Net alsof je tegenover Holden Caulfield zit in het café. Heel bizar. Als vertaler breng je geregeld de hele dag in je eentje achter je computer door, en dit soort momenten zijn wat mij betreft vaak de krenten in de pap.

Iemand die ik ook in het echt ontmoet heb, is Joost Vandecasteele, een Vlaamse schrijver en cabaretier. Deze keer in Madrid nota bene, bij een signeersessie. Het grappige is dat schrijvers vaak heel erg benieuwd zijn naar je werk als vertaler. Ze stellen allerlei vragen over je motivaties en dergelijke.

Kom je wel eens Nederlandse termen tegen die zeer moeilijk naar het Spaans te vertalen zijn?

Uiteraard. Dat is het mooie van dit vak: de uitdaging om moeilijk vertaalbaar of cultuur verbonden begrippen over te brengen naar je eigen taal. Dat soort termen kom je geregeld tegen. Een voorbeeld bij uitstek in het Nederlands is het begrip ‘gezellig’. Dat bestaat in geen enkele taal. Het is een term met veel lagen en nuances afhankelijk van de context. Maar voor dat soort termen is er altijd wel een oplossing te vinden.

Een veel groter probleem zijn de echt onvertaalbare uitdrukkingen of grappen, want daar moet je vaak iets nieuws voor verzinnen en dat gaat dan verder dan puur vertalen. Dan ben je echt creatief bezig. Ik hoorde laatst een grove mop die ik toch grappig vond: ze heeft dikke billen maar ze zit er niet mee. Dat is niet te vertalen. In geen enkele taal. Die woordgrap werkt alleen in het Nederlands en wat je ook als vertaler doet, de clou gaat verloren in de vertaling.

Woordgrapjes komen met name in kinderboeken vaak voor. Echte hersenkrakers voor vertalers. In fictie voor volwassenen komen ze gelukkig net iets minder vaak voor, maar je komt wel andere vertaalproblemen tegen waar je dagen, soms weken lang in je hoofd mee loopt.

Literaire teksten bevatten soms symbolen. Hoe weet je zeker of een kapotte spaarpot niet meer is dan dat of bijvoorbeeld een metafoor voor de kredietcrisis?

Beeldspraak kan ook een probleem vormen. Een vertaler moet eerst en vooral een zeer goede lezer zijn. In het voorbeeld dat je geeft zou ik persoonlijk niets doen. Het beeld van een kapotte spaarpot is volgens mij in alle talen en culturen begrijpelijk. In zo’n geval is het aan de lezer om zelf de metafoor te zien, als die er überhaupt is.

Maar wat als het om een cultuurgebonden metafoor gaat? In Nederland, bijvoorbeeld, zijn spruitjes bij uitstek het eten dat kinderen vies vinden. In Spanje daarentegen worden spruitjes veel minder gegeten en worden ze niet meteen geassocieerd met iets wat kinderen niet lusten. Dus wat als een schrijver voor spruitjes kiest als metafoor voor vies eten? Dan zijn er twee mogelijke oplossingen te bedenken: je houdt de spruitjes in de vertaling en geeft op een subtiele manier aan dat ze vies worden gevonden, of je vervangt de spruitjes door iets wat in de doelcultuur doorgaans vies wordt gevonden.

In een boek voor volwassenen kies je vaak voor de eerste oplossing. In een kinderboek voor de tweede. Maar dat is geen vaste regel. Elk vertaalprobleem is anders en de oplossing is afhankelijk van context, thema, publiek en veel andere factoren.

Zelf ben ik een weinig orthodoxe vertaler. Ik ben namelijk voorstander van een vertaling die goed aansluit bij de doeltaal, zelfs als je soms afstand van het origineel moet nemen. Er zijn twee belangrijke stromingen onder literaire vertalers: een grote groep die koste wat het kost elk woordje van het origineel wil behouden (vertalen wat er staat) en een kleine groep, waar ik zelf bij hoor, die de leesbaarheid van de eindtekst voorop stelt (vertalen wat er bedoeld wordt), ook als je af aan toe een beetje aan het origineel moet sleutelen en iets moet weglaten of juist toevoegen. Wat is beter? Daar is natuurlijk geen eenduidig antwoord op. Alle twee benaderingen kunnen geweldige vertalingen leveren.

Op welke literaire vertaling ben je het meest trots?

Daar hoef ik niet lang over na te denken. Ik ben erg trots op mijn vertaling van ‘Een nagelaten bekentenis’ van Marcellus Emants. Dat boek deed iets met mij. Een geweldige psychologische roman die terecht als een klassieker wordt beschouwd. Wat mij betreft doet het niet onder voor het werk van bijvoorbeeld Dostojevski, de mening van Coetzee ten spijt. Bovendien was de samenwerking met de uitgever bijzonder prettig en mijn werk werd behandeld met veel respect. Deze vertaling gaf mij veel voldoening. Bovendien heb ik feedback gehad van een aantal lezers die het boek met veel plezier hebben gelezen en geen enkele kromme zin of onbegrijpelijke passage konden vinden. En dat is het mooiste compliment dat een vertaler kan ontvangen.


De homepage en het blog van Gonzalo Fernández zijn te vinden ophttp://www.gonzalofernandez.es/

Reacties